Speciaal voor de opening heeft onze eigen Valkenstijn dichter Egbert II een gedicht geschreven…

HET HEK DAT EEN NAAM DRAAGT

Het hek dat een naam draagt en om opening vraagt

om binnen te gaan
over oude paden
zij het nieuw bekleed
te zien waar natuur en cultuur

samen ademen

laat je ogen maar dwalen over
waar je voeten die plaatsten
je ziet historie hangen
tussen de bomen
als nevel op het ochtendveld

je staat stil
je praat met iemand
en glimlacht
je loopt verder
kijkt, ziet, luistert, hoort
het hek dat een naam draagt

liet je binnen
en je gaat

ziet het bord met mededelingen
ziet de picknickbank weer uitnodigend staan
ziet het bankje dat uitzicht biedt over het groene veld

waarin paden zijn gemaaid
aangenaam te bewandelen

ziet het meidoornlaantje met de holle boom

de kabouterboom

ziet de huisplaats markerend waar ooit de werkelijke omtrek

de bruggetjes

het bankje met de gouden regen
het kunstwerk dat zich beweegt in- en uiteen

al dat en meer

al is dit nu een gedenkwaardig moment
waar het hek dat een naam draagt er mag zijn

een persoonlijke noot in deze is
dat ik van tijd tot tijd vol ongeloof aanschouw

wat men domweg liggen laat
domweg van zich weggooit
domweg tot vernieling overgaat

ik zucht dan

kan me niet voorstellen om tot zoiets te komen

net zoals ik huiverend zie hoe her en der de klimop verwoest is

hoe de eenden worden opgejaagd

door dat alles heen:

hier
Valkenstijn
hier
te genieten

van geuren, kleuren, geluiden
omgevallen bomen
die leven markeren

(ach, de boomstam met elfenbankjes
vrijelijk drijvend op het water

rijk aan kroos)
de dierenweide
de hondenspeelweide

waar ze spelen, rennen, blaffen, grauwen en snauwen ook

de pumptrack, geen lust voor het oog

maar genietende kinderen maken dat dan weer goed

de tuin met tuintjes

het kleine bosje waar het leeft zoals het leeft

de paden die uitnodigend
net als de bankjes dat zijn
het hek dat een naam draagt

hier
nu
kijk
ga
geniet
neem waar

de bomen, planten, vogels
al dat en meer
wanneer je je openstelt
als een hek dat je uitnodigt.
© Egbert Hovenkamp II